ongepast
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- on·ge·past
Woordherkomst en -opbouw
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | ongepast | ongepaster | meest ongepast |
| verbogen | ongepaste | ongepastere | meest ongepaste |
Bijvoeglijk naamwoord
ongepast
- niet gepast, niet geschikt voor een situatie
- Die opmerking is ongepast.
- van kleding, niet geprobeerd of het de juiste grootte heeft
- Ik heb de broek ongepast gekocht.
Antoniemen
Vertalingen
1. niet gepast, niet geschikt