ongepast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·past
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van gepast met het voorvoegsel on-.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ongepast ongepaster meest ongepast
verbogen ongepaste ongepastere meest ongepaste

Bijvoeglijk naamwoord

ongepast

  1. niet gepast, niet geschikt voor een situatie
    Die opmerking is ongepast.
  2. van kleding, niet geprobeerd of het de juiste grootte heeft
    Ik heb de broek ongepast gekocht.
Antoniemen
Vertalingen