omstander

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·stan·der
enkelvoud meervoud
naamwoord omstander
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

omstander m

  1. toeschouwer, getuige
    De omstander schoot te hulp toen de spoorbomen dichtgingen en wist de man en de hond net op tijd weg te halen.