omcirkelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·cir·ke·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omcirkelen
omcirkelde
omcirkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

  1. iets of iemand fysiek insluiten waardoor onsnapping niet meer mogelijk is
    De soldaten omcirkelden de troepen van de vijand.
    De dictator werd uiteindelijk omcirkeld in zijn paleis.
  2. met schrijfgerei ergens een cirkel omheen tekenen om een keuze aan te geven
    Ik omcirkel mijn keuze op het enquêteformulier.
    De scholier omcirkelde bij multiplechoicetoetsen altijd het liefst antwoord A.
  3. met schrijfgerei ergens een cirkel omheen tekenen om ergens de nadruk op te leggen of om iets aan te wijzen
    Mijn moeder omcirkelt altijd de spelfouten in de krant.