naga
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- na·ga
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| nagaan |
naga
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nagaan
- ... dat ik naga.
| vervoeging van |
|---|
| nagaan |
naga
- (in een bijzin) enkelvoud tegenwoordige tijd aanvoegende wijs van nagaan
- ... dat men naga.