minuscuul
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mi·nus·cuul
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | minuscuul |
| verbogen | minuscule |
Bijvoeglijk naamwoord
minuscuul
- zeer klein
- Het membraan laat alleen minuscule deeltjes door.
- Ze droeg een bikini met een minuscuul bovenstukje.