lokal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·kal
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse woord locus.

Bijvoeglijk naamwoord

lokal

  1. lokaal, locaal, plaatselijk
    «Han ble tatt som gissel sammen med en lokal tolk.»
    Hij werd gegijzeld samen met een lokale tolk.
Verbuiging
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud lokal lokalere lokalest
o enkelvoud lokalt
meervoud lokale
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
lokale lokalere lokaleste
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·kal
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse woord locus.

Bijvoeglijk naamwoord

lokal

  1. lokaal, locaal, plaatselijk
Verbuiging
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud lokal lokalare lokalast
o enkelvoud lokal
meervoud lokale
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
lokale lokalare lokalaste
Afgeleide begrippen