löschen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • lö·schen
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
löschen
[ˈlœʃn̩]
löschte
[ˈlœʃtə]
gelöscht
[ɡəˈlœʃt]
volledig

Werkwoord

löschen

  1. (overgankelijk) blussen
    «Der Feuerwehrmann konnte die Flammen nicht löschen
    De brandweerman kon het vuur niet blussen.
  2. (overgankelijk) uitdoen (van licht)
    «Bitte löschen Sie das Licht.»
    Doe het licht uit alstublieft.