kruik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kruik
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kruik | kruiken |
| verkleinwoord | kruikje | kruikjes |
Zelfstandig naamwoord
- een fles of zak die gevuld is met warm water en die dient om het bed te verwarmen
- Leg even die kruik in mijn bed.
- een vat om een vloeistof in te bewaren en om die eruit te schenken
- We namen een kruik mee op onze expeditie.