kruik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kruik
enkelvoud meervoud
naamwoord kruik kruiken
verkleinwoord kruikje kruikjes

Zelfstandig naamwoord

kruik v/m

  1. een fles of zak die gevuld is met warm water en die dient om het bed te verwarmen
    Leg even die kruik in mijn bed.
  2. een vat om een vloeistof in te bewaren en om die eruit te schenken
    We namen een kruik mee op onze expeditie.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen