kransen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kran·sen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| kransen |
kranste |
gekranst |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
kransen
- (wederkerend) een krans vormen
- Aan de tafel, midden in de kamer, met het roode tafelkleed, waarop zich akelig zwarte bloemen kransten, zat een bleek schepseltje, een groote mand met maaswerk vóór zich.[1]
Verwijzingen
- ↑ "Hilda van Suylenburg"
Cécile de Jong van Beek en Donk, 1897
Zelfstandig naamwoord
kransen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord krans