koutje

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kou·tje
Woordherkomst en -opbouw
  • Verkleinwoord van kou.
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord koutje koutjes

Zelfstandig naamwoord

koutje o dim. tant.

  1. (medisch) een verkoudheid.
    Hij had een koutje opgelopen.
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen
Persoonlijke instellingen