kleinigheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klei·nig·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van kleinig (klein met het achtervoegsel -ig) met het achtervoegsel -heid.
enkelvoud meervoud
naamwoord kleinigheid kleinigheden
verkleinwoord kleinigheidje kleinigheidjes

Zelfstandig naamwoord

kleinigheid v

  1. iets onbelangrijks
    "Ik heb een brief van onzen Frederik ontvangen, die mij, uit hoofde van eene tusſchenkomende kleinigheid, heeft doen beſluiten, om weder naar Antwerpen te keeren".[1]
Verwijzingen
  1. Paape, Gerrit (1788). De Hollandsche wijsgeer in Braband: iets meer dan een roman, p. 148.