kleefde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- kleef·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kleven |
kleefde
- enkelvoud verleden tijd van kleven
- Ik kleefde.
- Jij kleefde.
- Hij, zij, het kleefde.
- Ik kleefde.