kassen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kassen
kaste
gekast
zwak -t volledig

Werkwoord

kassen

  1. (inergatief) (scheepvaart) elkaar door op het water te slaan nat spatten
    Hou op met kassen!

Zelfstandig naamwoord

kassen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kas