kaanden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- kaan·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kanen |
kaanden
- meervoud verleden tijd van kanen
- Wij kaanden.
- Jullie kaanden.
- Zij kaanden.
- Wij kaanden.
| vervoeging van |
|---|
| kanen |
kaanden