kanen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ka·nen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| kanen |
kaande |
gekaand |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
kanen
- (inergatief) (informeel) met smaak eten, smullen (misschien wel van een kaan)
- schimmelen, muf worden
Zelfstandig naamwoord
kanen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kaan