hinderde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hin·der·de

Werkwoord

vervoeging van
hinderen

hinderde

  1. enkelvoud verleden tijd van hinderen
    Ik hinderde.
    Jij hinderde.
    Hij, zij, het hinderde.