handicap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • han·di·cap
enkelvoud meervoud
naamwoord handicap handicaps
verkleinwoord handicapje handicapjes

Zelfstandig naamwoord

handicap m

  1. een lichamelijke of geestelijke beperking
    Door zijn handicap moest hij zich verplaatsen met een rolstoel.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen