glom
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- glom
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| glimmen |
glom
- enkelvoud verleden tijd van glimmen
- Ik glom.
- Jij glom.
- Hij, zij, het glom.
- Ik glom.
| vervoeging van |
|---|
| glimmen |
glom