geselen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·se·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| geselen |
geselde |
gegeseld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
geselen
- (overgankelijk) iemand met een zweep of gesel tuchtigen
- De gevangen werden genadeloos gegeseld.
Vertalingen
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
Zelfstandig naamwoord
geselen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gesel