fangen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Deens

Woordafbreking
  • fan·gen

Zelfstandig naamwoord

fangen g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van fange


Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈfaŋn̩/
Woordafbreking
  • fan·gen
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fangen
/ˈfaŋn̩/
fing
/ˈfiŋ/
gefangen
/gəˈfaŋn̩/
volledig

Werkwoord

fangen

  1. vangen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen