dutje

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dut·je
enkelvoud meervoud
naamwoord
verkleinwoord dutje dutjes

Zelfstandig naamwoord

dutje o dim. tant.

  1. een korte periode van slaap
    De oudjes deden een dutje.

Zelfstandig naamwoord

dutje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord dut