diagnosticeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- di·ag·nos·ti·ce·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| diagnosticeren /'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/ |
diagnosticeerde /'dɪɑɣnɔstɪ'seːrdə/ |
gediagnosticeerd /ɣə'dɪɑɣnɔstɪ'seːrt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
diagnosticeren
- (overgankelijk) een diagnose stellen, de oorzaak van een probleem achterhalen
- Deze ziekte is verkeerd gediagnosticeerd.
Vertalingen
1. een diagnose stellen, de oorzaak van een probleem achterhalen