destabiliseren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- de·sta·bi·li·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
- afgeleid van het Franse déstabiliser (met het voorvoegsel de- en met het achtervoegsel -eren)
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| destabiliseren |
destabiliseerde |
gedestabiliseerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
destabiliseren
- (onovergankelijk) zijn stabiliteit verliezen
- (overgankelijk) zijn stabiliteit doen verliezen