destabiliseren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·sta·bi·li·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
destabiliseren
destabiliseerde
gedestabiliseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

destabiliseren

  1. (ergatief) zijn stabiliteit verliezen
    Daarmee destabiliseerde het land.
  2. (overgankelijk) zijn stabiliteit doen verliezen
    Daarmee destabiliseerden zij het land.
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen