stabiliseren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sta·bi·li·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
- afgeleid van het Franse stabiliser met het achtervoegsel -eren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| stabiliseren |
stabiliseerde |
gestabiliseerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
stabiliseren
- (overgankelijk) stabiel maken, bestendigen
- De toestand van de patiënt werd gestabiliseerd.