derde
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- der·de
| 1. | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | derde | derdes |
| verkleinwoord | — | — |
Zelfstandig naamwoord
derde o
- door drie gedeeld iets.
- Een derde van de stedelijke wereldbevolking woont in sloppenwijken.
Vertalingen
| 1. | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | derde | derdes |
| verkleinwoord | — | — |
| 2. | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | derde | derden |
| verkleinwoord | — | — |
Zelfstandig naamwoord
derde m
- nummer drie in een rij.
- De derde die belt maakt kans op 200 euro, waag je kans!
- (veelal meervoud) onbetrokken partij
- De mening van derden moet worden ingeroepen om volledig objectief te zijn.
Vertalingen
2. (vooral meervoud) onbetrokken partij
Rangtelwoord
derde
- betrekking hebbend op nummer drie in een rij.
- De derde wereldoorlog bleef gelukkig uit.
Vertalingen
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij