debrief

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·brief

Werkwoord

vervoeging van
debriefen

debrief

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van debriefen
    Ik debrief.
  2. gebiedende wijs van debriefen
    Debrief!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van debriefen
    Debrief je?