confronteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·fron·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
confronteren
confronteerde
geconfronteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

confronteren

  1. (overgankelijk) iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
    Ik confronteerde hem op zijn fouten die hij heeft begaan.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen