confronteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- con·fron·te·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| confronteren |
confronteerde |
geconfronteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
confronteren
- (overgankelijk) iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
- Ik confronteerde hem op zijn fouten die hij heeft begaan.
Vertalingen
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan