certificeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- cer·ti·fi·ce·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| certificeren |
certificeerde |
gecertificeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
certificeren
- (overgankelijk) het officieel verklaren dat iets geldig is of voldoet aan een norm (zwart op wit geven)