brauw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • brauw
enkelvoud meervoud
naamwoord brauw brauwen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

brauw v/m

  1. wenkbrauw
    Ziet ge niet hoe zijn brauw fronst om uw ijdel
    Gelegenheidsgestamel, ijdel galmen,
    Zinloos en zielloos voor den steeds miskende?[1]

Werkwoord

vervoeging van
brauwen

brauw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brauwen
    Ik brauw.
  2. gebiedende wijs van brauwen
    Brauw!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brauwen
    Brauw je?
Verwijzingen
  1. Rembrandt-hoon
    Alex Gutteling, 1906