betreden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·tre·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| betreden |
betrad |
betreden |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
betreden
- (overgankelijk) zich ergens (met de voeten) op begeven
- Hem werd gezegd dat hij de zolder in verband met instortingsgevaar maar beter niet kon betreden.