betoog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·toog
enkelvoud meervoud
naamwoord betoog betogen
verkleinwoord betoogje betoogjes

Zelfstandig naamwoord

betoog o

  1. een verhaal of stuk waarin men een bepaald gezichtspunt met argumenten tracht te onderbouwen
    Als ik dan dat áálgladde betoogje van de heer De Hoop Scheffer hoor, dan wordt het bij mij koud.[1]
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Van Aartsen

Werkwoord

vervoeging van
betogen

betoog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van betogen
    Ik betoog.
  2. gebiedende wijs van betogen
    Betoog!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van betogen
    Betoog je?