bepraten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·pra·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van praten met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bepraten
bepraatte
bepraat
zwak -t volledig

Werkwoord

bepraten

  1. (overgankelijk) door praten iemand tot een verandering in zijn standpunt overhalen
    Uiteindelijk liet hij zich toch bepraten.
Vertalingen