beangstigt
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- be·ang·stigt
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| beangstigen |
beangstigt
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beangstigen
- Jij beangstigt.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beangstigen
- Hij beangstigt.
- verouderde gebiedende wijs meervoud van beangstigen
- Beangstigt!