bazelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·ze·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bazelen
bazelde
gebazeld
zwak -d volledig

Werkwoord

bazelen

  1. (inergatief) onsamenhangend en onbegrijpelijk praten
    Toen ik hem dat vroeg, bazelde hij maar wat.