bazelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ba·ze·len
Woordherkomst en -opbouw
- Een frequentatieve vorm van het verouderde bazen (ijlen) (verg. verbazen)
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bazelen |
bazelde |
gebazeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bazelen
- (inergatief) onsamenhangend en onbegrijpelijk praten
- Toen ik hem dat vroeg, bazelde hij maar wat.