barsten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bar·sten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
barsten
barstte
gebarsten
gemengd volledig

Werkwoord

barsten

  1. (ergatief) heftig breken of uiteenspatten
    Het koude glas barstte toen er heet water in werd geschonken.
  2. (onovergankelijk) scheuren, splijten
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

barsten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord barst