baarde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- baar·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| baren |
baarde
- enkelvoud verleden tijd van baren
- Ik baarde.
- Jij baarde.
- Hij, zij, het baarde.
- Ik baarde.
| vervoeging van |
|---|
| baren |
baarde