auditeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- au·di·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| auditeren |
auditeerde |
geauditeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
auditeren (onovergankelijk)
- auditie doen
- toehoorder zijn
- (bedrijfskunde) de economische bedrijfsvoering van een onderneming onderzoeken