assisteert
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- as·sis·teert
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| assisteren |
assisteert
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van assisteren
- Jij assisteert.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van assisteren
- Hij assisteert.
- verouderde gebiedende wijs meervoud van assisteren
- Assisteert!