asfalteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: asfalteren (hulp, bestand)
Woordafbreking
- as·fal·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| asfalteren |
asfalteerde |
geasfalteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
asfalteren
- (overgankelijk) bedekken met asfalt
- Ze zijn de weg opnieuw aan het asfalteren.