asfalt
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- as·falt
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | asfalt | - |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
asfalt o
- een mengsel van bitumen en minerale aggregaten, dat vooral als wegdek gebruikt wordt
- De weg werd met asfalt bestraat.
- De lucht zindert over het asfalt.
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- asfaltdakwerk, asfalteren, asfaltjeugd, asfaltjungle, asfaltmeer, asfaltpapier, asfaltspreider, asfaltweg
Vertalingen
1.
Turks
Zelfstandig naamwoord
asfalt