apostel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • apos·tel
Woordherkomst en -opbouw
  • via het Latijn uit het Grieks, van stellein (zenden) met het voorvoegsel apo-, [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord apostel apostels
apostelen
verkleinwoord aposteltje aposteltjes

Zelfstandig naamwoord

apostel m

  1. elk van de voornaamste twaalf leerlingen van Jezus en eerste verkondigers van het christendom
  2. verkondiger van een nieuwe leer
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl