activa

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ac·ti·va
enkelvoud meervoud
naamwoord - activa
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

activa mv

  1. (boekhouding) de in geld uitgedrukte waarde die het geheel aan bezittingen van een onderneming vertegenwoordigt
Antoniemen
  1. passiva
Vertalingen


Frans

Werkwoord

vervoeging van
activer

activa

  1. derde persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van activer


Roemeens

Uitspraak
  • IPA: /akti'va/
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Franse activer.

Werkwoord

activa

  1. activeren


Spaans

Bijvoeglijk naamwoord

activa

  1. vrouwelijk enkelvoud van activo

Werkwoord

vervoeging van
activar

activa

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van activar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van activar