abdiqueren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ab·di·que·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| abdiqueren |
abdiqueerde |
geabdiqueerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
abdiqueren
- (inergatief) vrijwilling afstand doen van bestaande rechten of verantwoordelijkheden
- De Belgische en de Vlaamse overheid hebben schandelijk geabdiqueerd op het vlak van vakdidactisch onderzoek.