abdiceren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·di·ce·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
abdiceren
abdiceerde
geabdiceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

abdiceren

  1. (inergatief) afstand doen van de troon, aftreden als vorst
    Op 28 januari 2013 maakte koningin Beatrix bekend dat ze zou gaan abdiceren.
Vertalingen