abdiceren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·di·ce·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
abdiceren
abdiceerde
geabdiceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

abdiceren

  1. (inergatief) afstand doen van
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen