aanbad

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Woordafbreking
  • aan·bad

Werkwoord

vervoeging van
aanbidden

aanbad

  1. enkelvoud verleden tijd van aanbidden
    Ik aanbad.
    Jij aanbad.
    Hij, zij, het aanbad.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen