zondigde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·dig·de

Werkwoord

vervoeging van
zondigen

zondigde

  1. enkelvoud verleden tijd van zondigen
    • Ik zondigde. 
    • Jij zondigde. 
    • Hij, zij, het zondigde.