zoethoudertje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoet·hou·der·tje

Zelfstandig naamwoord

zoethoudertje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord zoethouder

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be