zeng

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeng

Werkwoord

vervoeging van
zengen

zeng

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zengen
    • Ik zeng. 
  2. gebiedende wijs van zengen
    • Zeng! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zengen
    • Zeng je? 

Gangbaarheid

17 % van de Nederlanders;
19 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be