wielren
Uiterlijk
- wiel·ren
| vervoeging van |
|---|
| wielrennen |
wielren
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wielrennen
- Ik wielren.
- gebiedende wijs van wielrennen
- Wielren!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wielrennen
- Wielren je?