wetter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Fries

Zelfstandig naamwoord

wetter o

  1. water


Oudfries

Zelfstandig naamwoord

wetter o

  1. water
    «Aldeer dis salta wetters ingong wirt oen dae bannena dike twiska sinte Benedictusdey ende sinte Vrbanusdey, so hwa so dyn dyck aech ende dat salte wetter jnlet ende dae lioedem schaeda det, soe is al riocht, dat hi dat beta schel weer den scelta mit twam scillingem ende foerd oen wirke staen.»
    Wanneer het zoute water binnendringt door de gebannen dijk tussen Sint-Benedictusdag en Sint-Urbanusdag, dan is geheel en al recht dat hij aan wie de dijk toebehoort en die het zoute water binnenlaat en de lieden schade doet, de schout een boete ten bedrage van twee schellingen moet betalen en onmiddellijk het werk ter hand moet nemen.[1]

Verwijzingen

  1. Vries, O. Asega, is het dingtijd. De hoogtepunten van de Oudfriese tekstoverlevering (2007) Steven Sterk, Leeuwarden/Utrecht'; ISBN 9789056151423; p. 382